Ooit was ruilhandel de enige manier om zaken te doen. Mensen ruilden goederen zoals voedsel, maar dit had zijn beperkingen. Voedsel bedierf snel en het was niet altijd mogelijk om precies te krijgen wat je wilde. Later evolueerde ruilhandel naar de uitwisseling van duurzamere goederen zoals zout of metaal.
In de tijd van Alexander de Grote, rond 300 voor Christus, werd een revolutionaire stap gezet. Alexander liet gouden munten slaan. Het gewicht van deze munten bepaalde hun waarde, wat een enorme stap voorwaarts was in de manier waarop mensen handel dreven. Deze munten waren echter ook een aantrekkelijk doelwit voor dieven. Om dit probleem op te lossen, werden opslagfaciliteiten zoals banken gecreΓ«erd. In deze banken konden mensen hun goud veilig opbergen en kregen ze een papiertje als eigendomsbewijs. Dit was het begin van ons moderne papiergeld.